top of page

Waarom praten we toch steeds over achterstanden?

Bijgewerkt op: 6 jul. 2023



Als we ontwikkeling in beeld brengen, doen we dat sinds jaar en dag op basis van een statische norm. Een hoepel waar je op een bepaald moment doorheen moet kunnen springen of een lat waarlangs je afgerekend kunt worden. We zijn het heel gewoon gaan vinden om de kennis, vaardigheden, inzichten en talenten van een kind te vergelijken met leeftijdsgenoten. Met een norm(groep). En daar dan ook nog iets van te vinden. Een oordeel over te hebben.


We meten en nemen het zogenaamde gemiddelde als uitgangspunt. Als je hieronder zit, ben je een kwetsbare, zwakke of achterstandsleerling. Als je erboven zit ben je een goede, sterke of talentvolle leerling.

We spreken met het grootste gemak in termen van achterstanden alsof het serieus mogelijk is een achterstand te hebben ten opzichte van jezelf. Achterstand bestaat bij de gratie van een norm en wordt zichtbaar in verouderde systemen. Het werkt stigmatiserend, doet kleine en grote mensen ernstig tekort en werkt belemmerend als het over groei gaat.



Want uiteindelijk weten we allemaal dat geen twee mensen hetzelfde zijn. We weten dat ontwikkeling niet in een rechte lijn verloopt en dat ieder van ons iets anders nodig heeft om zich naar vol en uniek potentieel te kunnen en mogen ontwikkelen. En dat recht hebben we ook. Zoals onder andere terug te lezen is in de wet op het primair onderwijs en de verdragen inzake rechten van het kind wereldwijd.


Enkele artikelen: 

“Het onderwijs wordt zodanig ingericht dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces kunnen doorlopen. Het wordt afgestemd op de voortgang in de ontwikkeling van de leerlingen.” (WPO art. 1)

“Ten aanzien van leerlingen die extra ondersteuning behoeven, is het onderwijs gericht op individuele begeleiding die is afgestemd op de behoeften van de leerling.” (WPO art. 4)


“De Staten die partij zijn, verzekeren het kind dat in staat is zijn of haar eigen mening te vormen, het recht die mening vrijelijk te uiten in alle aangelegenheden die het kind betreffen, waarbij aan de mening van het kind passend belang wordt gehecht in overeenstemming met zijn of haar leeftijd en rijpheid.” (IVRK art. 13)

De Staten die partij zijn, komen overeen dat het onderwijs aan het kind dient te zijn gericht op: de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind, …., de voorbereiding van het kind op een verantwoord leven in een vrije samenleving, in de geest van begrip, vrede, verdraagzaamheid, gelijkheid van geslachten, en vriendschap tussen alle volken, etnische, nationale en godsdienstige groepen en personen behorend tot de oorspronkelijke bevolking, het bijbrengen van eerbied voor de natuurlijke omgeving…” (IVRK art. 29)



Wat betreft een leerling- en onderwijsvolgsysteem zegt de wet primair onderwijs dat hieruit ‘de vorderingen in kennis en vaardigheden moeten blijken op het niveau van de leerling, de groep en de school’. Het systeem moet toetsen bevatten ‘die kennis en vaardigheden meten in elk geval op het terrein van Nederlandse taal en rekenen en wiskunde met inachtneming van de referentieniveaus' (art. 6). Toetsen moeten voldoen aan het kwaliteitsoordeel van een ‘door Onze Minister aangewezen onafhankelijke commissie betreffende inhoudelijke validiteit, betrouwbaarheid en deugdelijke normering' (art. 7).

 

Ondanks dat de wet voorschrijft dat scholen de taak hebben kinderen een ononderbroken ontwikkelingsproces te laten doorlopen en dat er 'een leerling- en onderwijsvolgsysteem moet zijn wat de vorderingen in kennis en vaardigheden van het kind moet meten', lijken de huidige systemen te weinig ondersteunend aan die ononderbroken ontwikkeling. Sterker nog: het systeem en de 'onafhankelijke commissies' houden de norm in stand. En als de norm de lat is, wordt het spreken over achterstanden logisch.


Systemen zouden niet belemmerend, maar ondersteunend moeten zijn aan ontwikkeling

- Leerlingvolgsystemen zijn onvoldoende ondersteunend aan de individuele ontwikkeling en de groei van het kind ten opzichte van zichzelf en ten opzichte van de referentieniveaus;

- De genormeerde gestandaardiseerde toetsen die gebruikt worden om de kennis en vaardigheden van de Nederlandse taal en rekenen en wiskunde te meten, meten slechts een deel van de betreffende kerndoelen. In de vorm waarop wordt gemeten is het ook niet mogelijk het volledig spectrum van de inhoud van de kerndoelen te 'meten';

- In de wet wordt als enige ‘norm’ het behalen van het referentieniveau gesteld (minimaal 1F aan het eind van de basisschool). Door de manier van meten leggen we echter heel veel meer normen op aan kinderen, ouders en scholen. De lat regeert.


- Waar in de wet staat dat onderwijs gericht moet zijn op afstemming op voortgang en op de behoeften van het individu, zien we dat onderwijs juist vaak gericht is op het repareren van 'gebreken'. En dus plakken we pleisters.

Kinderen zijn niet kapot. Het is maar net hoe je kijkt. Vanuit wat er ís of vanuit wat je vindt dat er moet zijn?

En dus begrijp ik het wel. De hele discussie over achterstanden. De verwarring. We hebben het er namelijk zelf naar gemaakt. Samen hebben we een systeem gecreëerd waarin het heel gewoon is geworden te spreken in termen van achterstanden en voorsprong. Van hoger en lager. Onderwijs is een ratrace geworden waar de norm leidend is en alleen de 'besten' de eindstreep halen.


Als we in een samenleving willen leven waarin ieder zich op eigen wijze zijn eigen unieke versie kan en mag ontwikkelen, hebben we nog wat te doen in dit land. Dan zullen we in rap tempo werk moeten maken van onderwijs waar geen achterstanden bestaan. Initiatieven zijn er gelukkig volop! En daar draag ik met alle liefde van binnenuit aan bij.

 





3 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page